Psalmen 142:3-6 - Vergelijk alle vertalingen
Psalmen 142:3-6 HTB (Het Boek)
Ik stort mijn hele hart voor Hem uit, al mijn ellende vertel ik Hem. Als alles mij te veel wordt, weet U hoe ik verder moet. Men zet vallen voor mij op het pad dat ik moet gaan. Ik kijk naar rechts en zie uit naar hulp, maar geen mens kijkt naar mij om. Ik heb geen plek om te schuilen en niemand vraagt hoe het met mij gaat. HERE, ik roep naar U: ‘U bent de beste plaats om te schuilen. U houdt mij in leven.
Psalmen 142:3-6 NBG51 (NBG-vertaling 1951)
ik stort mijn klacht voor zijn aangezicht uit, ik maak Hem mijn benauwdheid bekend. Wanneer mijn geest in mij versmacht, kent Gij mijn pad. Op de weg die ik ga, verbergen zij mij een strik; schouw ik naar rechts en zie ik uit – niemand ziet naar mij om; is mij de toevlucht ontvallen – niemand vraagt naar mij. Tot U roep ik, HERE; ik zeg: Gij zijt mijn schuilplaats, mijn deel in het land der levenden.
Psalmen 142:3-6 HSV (Herziene Statenvertaling)
Ik stort mijn klacht uit voor Zijn aangezicht, ik maak voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid bekend. Toen mijn geest in mij bezweek, kende Ú mijn pad. Zij hebben een strik voor mij verborgen op de weg die ik gaan zou. Ik keek aan mijn rechterhand en zie, er was niemand die naar mij omzag; voor mij was de mogelijkheid tot ontvluchten verloren, niemand zorgde voor mijn ziel. Tot U roep ik, HEERE. Ik zeg: U bent mijn toevlucht, mijn deel in het land der levenden.
Psalmen 142:3-6 BB (BasisBijbel, de bijbel in makkelijk Nederlands)
Ik stort mijn hart bij U uit. Ik vertel U al mijn moeilijkheden. Ik ben wanhopig, maar U weet wat ik moet doen. Overal waar ik ga, hebben mijn vijanden vallen voor me opgezet. Ik zoek hulp, maar niemand komt me helpen. Ik kan nergens heen. Niemand wil me beschermen. Ik roep tot U, Heer: "U bent mijn schuilplaats. Bij U ben ik veilig. U bent alles voor mij in dit leven.”
Psalmen 142:3-6 STV (Statenvertaling (Importantia edition))
Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid. Als mijn geest in mij overstelpt was, zo hebt Gij mijn pad gekend. Zij hebben mij een strik verborgen op den weg, dien ik gaan zou. Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zo was er niemand, die mij kende, er was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel. Tot U riep ik, o HEERE! ik zeide: Gij zijt mijn Toevlucht, mijn Deel in het land der levenden.