Psalmen 41:5-10
Psalmen 41:5-10 Statenvertaling (Importantia edition) (STV)
Ik zeide: O HEERE! wees mij genadig; genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd. Mijn vijanden spreken kwaad van mij, zeggende: Wanneer zal hij sterven, en zijn naam vergaan? En zo iemand van hen komt, om mij te zien, hij spreekt valsheid; zijn hart vergadert zich onrecht; gaat hij uit naar buiten, hij spreekt er van. Al mijn haters mompelen te zamen tegen mij; ze bedenken tegen mij, hetgeen mij kwaad is, zeggende: Een Belialsstuk kleeft hem aan; en hij, die nederligt, zal niet weder opstaan. Zelfs de man mijns vredes, op welken ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven.
Psalmen 41:5-10 Herziene Statenvertaling (HSV)
Ik zei: HEERE, wees mij genadig; genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd. Mijn vijanden spreken kwaad over mij en zeggen: Wanneer zal hij sterven en zijn naam vergaan? Als een van hen naar mij komt kijken, spreekt hij valse dingen en zijn hart brengt onrecht bijeen; gaat hij naar buiten, dan spreekt hij daarover. Allen die mij haten, mompelen tezamen over mij. Zij bedenken tegen mij wat slecht voor mij is en zeggen: Verdorven praktijken kleven hem aan; wie zo neerligt, zal niet meer opstaan. Zelfs de man met wie ik in vrede leefde, op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft zich tegen mij gekeerd.
Psalmen 41:5-10 NBG-vertaling 1951 (NBG51)
Ik zeide: HERE, wees mij genadig, genees mij, want tegen U heb ik gezondigd. Mijn vijanden spreken boosaardig over mij: Wanneer sterft hij, en zal zijn naam vergaan? Komt iemand mij bezoeken, hij spreekt valsheid, zijn hart verzamelt boosheid, hij gaat het op straat vertellen. Allen die mij haten, fluisteren tezamen over mij, zij denken het ergste van mij: Een dodelijke kwaal is op hem uitgestort, nu hij neerligt, staat hij niet meer op. Zelfs mijn vriend, op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft zijn hiel tegen mij opgeheven.
Psalmen 41:5-10 Het Boek (HTB)
Ik zei: ‘HERE, geef mij uw genade. Genees mij, want ik ben U niet gehoorzaam geweest.’ Mijn tegenstanders roddelen over mij en zeggen: ‘Wanneer denk je dat hij sterft? Eindelijk is hij dan verdwenen.’ Wanneer iemand mij opzoekt, spreekt hij met gladde tong. In zijn hart haat hij mij en zodra hij weer weg is, vertelt hij links en rechts leugens. Zij die mij haten, steken hun hoofden bij elkaar en fluisteren over mij: ‘Heb je het al gehoord? Hij heeft een dodelijke ziekte. Hij zal nooit meer van zijn ziekbed afkomen.’ Zelfs mijn beste vriend, die ik volledig vertrouwde en die regelmatig bij mij at, heeft zich tegen mij gekeerd.
Psalmen 41:5-10 BasisBijbel, de bijbel in makkelijk Nederlands (BB)
Ik zei: "Heer, heb medelijden met me! Genees me, want ik geef toe dat ik ongehoorzaam aan U ben geweest." Mijn vijanden wensen me niets goeds toe. Ze zeggen: "Is hij al dood? Zijn we al van hem af?" Als ze me komen bezoeken, zeggen ze vriendelijke dingen, maar ze menen er niets van. Want in hun hart wensen ze mij kwaad toe. Op straat vertellen ze wat ze werkelijk denken. Ze haten me en fluisteren lelijke dingen over mij. Ze wensen me het aller-ergste toe. Ze zeggen: "Hij is doodziek. Ik hoop dat hij nooit meer zijn bed uit komt." Zelfs mijn beste vriend, die ik vertrouwde, die bij mij at, is mijn vijand geworden.